|
De kleuters Het menselijk wezen maakt ontwikkelingsfasen door die te onderscheiden zijn in periodes van ongeveer zeven jaar. In de eerste zeven levensjaren staat de ontwikkeling van het lichamelijke het meest op de voorgrond. Het kind leeft sterk in en met de wereld om hem heen. Beleving en sfeer zijn daarom belangrijk. Door veel spelen en bewegen, door liedjes, spelletjes en verhalen wordt het kind als het ware “baas in eigen lichaam”. Ook de cultuur waarin het kind opgroeit, vormt een belangrijke basis voor de verdere ontwikkeling. Het meeleven met het dag-, week-, en jaarritme en het meevoelen daarmee staat voorop in de peuter- en kleuterfase van het kind.
Nabootsing De kleuter leeft met overgave in de hem omringende wereld, identificeert zich er mee en bootst na. De kleuter bootst alles na: gedrag, gebaren, fysieke houding, werkhouding. De kleuterleidster zal in haar handelen, doen en laten daar rekening mee houden. Vroeg of laat ziet zij haar houding terug in die van het kind. Daarnaast bootsen de kleuters vanzelfsprekend ook elkaar na. Ritme en herhaling Aansluitend bij de natuurlijke behoefte aan ritme van het kind speelt de indeling van de dag, de week, de maand en het jaar een grote rol. Alles herhaalt zich in een vast ritme. De ochtenden hebben een vaste herkenbare opbouw, met kleine variaties, waardoor de dagen van de week herkenbaar en beleefbaar worden. Fantasie Als peuter gaat het kind volledig op in wat de omgeving hem “toevallig” biedt, daar speelt het mee zoals het is. De kleuter daarentegen zal dat wat hij in de omgeving tegenkomt gebruiken en in zijn fantasie omvormen tot alles wat hij in zijn spel nodig heeft.De kleuterleidster zal dit spel stimuleren door een sfeer van veiligheid en warmte te verzorgen en door het aanbieden van ongevormde natuurlijke materialen waar “alles nog mee kan”.
|